Joodse achternamen: Sporen van slavernij

Geschreven op: 01-07-2021
Delen:

(Foto boven: Manumissiebrief uit 1861)

Op 1 juli, de herdenking van het afschaffen van de slavernij, Keti Koti, brengen we dit stuk uit de Benjamin van Pesach dit jaar, over de sporen van de slavernij die te vinden zijn in de Joodse en Joods-klinkende achternamen van de afstammelingen van tot slaaf gemaakten uit de voormalige Nederlandse koloniën. Uit hetzelfde nummer ook dit stuk over de nieuwe zwarte Joodse rabbijn op Curaçao. Georgette Kennebrae, vrouw en gay. Dat is een positief verhaal over hoe alles met elkaar te verenigen valt, als we daar ruimte voor laten. De Benjamin heeft ook geschreven over Joden en het slavernijverleden, dat blijft een aandachtspunt.

Joodse achternamen in de West

TEKST PATRICK STERNFELD EN HELEN WIJNGAARDE*

Het Joodse aandeel in het slavernijverleden heeft ook zijn sporen achtergelaten in de achternamen van een deel van de Surinaamse en Antilliaanse bevolking. Denk aan duidelijk Sefardische namen als Fernandes, Jessurun en Oliveira maar ook Wolff of Wijngaarde. Het zijn de levende bewijzen van een pijnlijke geschiedenis.

Als op 1 juli 1863 de algehele afschaffing van slavernij, aangeduid als de Emancipatie en in Suriname gevierd als Ketikoti – de ketenen gebroken, in de West-Indische koloniën een feit is, was daar al bijna 250 jaar van kolonisatie door Nederland aan vooraf gegaan. Die koloniale periode is voor een niet onaanzienlijk deel vervlochten met de geschiedenis van de Joodse diaspora van het Iberisch Schiereiland. Kort gezegd waren de Spaanse en Portugese Joden in de 15e en 16e eeuw in groten getale de Inquisitie ontvlucht naar veiliger oorden, waaronder Nederland en de koloniën, waar ze deels ook betrokken waren bij de slavernij.

“Met kwitantie van 12 juni 1759, uit genegenheid.”

Incidenteel kon het voor de Emancipatie gebeuren dat een tot slaaf gemaakte werd vrijgelaten. Een gunst verleend door de eigenaar. Vaak aan een concubine en de nazaten. Een vrijgelatene kreeg een door de gouverneur getekende vrijbrief, een zogenaamde manumissie.
Die vrijheid bestond eruit, dat de gemanumitteerde eigendom bleef van het gezag, weliswaar een eigen, maar onvruchtbaar stukje grond kreeg en aan zijn lot werd overgelaten.


Het boek over Elizabeth Samson (1715-1771) van Cynthia McLeod, over een dochter van een vrijgekochte tot slaaf gemaakte vrouw die zich ontwikkelde tot een vermogende zakenvrouw

In het systeem van het Nationaal Archief zijn in de slavenregisters beschrijvingen terug te vinden als: “Castieze jongen Jean George, zoon van de mestiezin Maria door Isaac Henriquez Cotino, voor 140 peso betaald door zijn moeder. Met kwitantie van 12 juni 1759, uit genegenheid.” Nog een voorbeeld: “Castieze meisje Anna Catharina, dochter van mestiezin Wilhelmina, door Isaac Haim Rodriquez da Costa, wegens trouwe dienst met het verzoek een vrijbrief te maken.” Het woord mestiezin of mesties werd gebruikt voor mensen van gemengde afkomst.

Achternaam niet toegestaan
De tot slaaf gemaakten werden alleen geregistreerd met voornaam, de zogenoemde slavennaam. Een achternaam was eenvoudigweg niet toegestaan. Het geven van een naam was alleen voorbehouden aan de plantage-eigenaar; de ouders hadden er niets over te zeggen. Om nog een onderscheid te kunnen maken tussen tot slaaf gemaakten werd er in de naamgeving een relatie met de betreffende plantage aangebracht.
Tussen de voornaam en de plantage-naam werd het verbindingswoordje ‘van’ geplaatst.
Ben manumissie had dan tot gevolg dat het systeem van naamvoering in zoverre werd veranderd dat de plantage- naam werd gewijzigd in de naam van de persoon die verantwoordelijk was voor de vrijstelling. Het woordje ‘van’ bleef aanwezig en maakte in feite daarmee de vrijgemaakte persoon herkenbaar als een voormalig tot slaaf gemaakte.

Eerst in de 19e eeuw komen er echte achternamen voor vrijgemaakten en ‘vrijgeborenen’. In veel gevallen betekent dit dat het woordje ‘van’ wordt verwijderd. Gevolg is dat, al dan niet verbasterd, veel namen ontstaan, die gelieerd zijn aan de voormalige plantagehouder en eerder ‘Europees’ dan ‘Surinaams’ aandoen. Een voorbeeld is de naam Wijngaarde, afgeleid van de (de la) Parra, dat wijnstok betekent en waarbij ‘van’ is komen te vervallen.
In 1811 voert Napoleon in Nederland de burgerlijke stand in; in Suriname is dat in 1828 het geval. In het systeem worden alle door vrije personen zelf opgegeven namen opgenomen waarbij het niet langer is toegestaan om bij de in vrijheid geboren kinderen het woordje ‘van’ achterwege te laten.
Bij wet van 1832 wordt bepaald dat iedere vrijgemaakte een familienaam behoort te krijgen. De wet van 1863, waarin algehele vrijmaking van slavernij wordt bekrachtigd en die op inmiddels minstens vijftigduizend tot slaaf gemaakten betrekking heeft, bepaalt dat in de registers voor-en achternamen dienen te worden opgenomen en dat er per familie een familienaam moet zijn, of worden aangenomen.

“Als je aan een Surinaamse stamboom schudt, valt er altijd wel een Jood uit.”

Doublures moeten daarbij worden vermeden. Het voorgaande leidde tot het creëren van namen. Een overheidscommissie zag erop toe dat werd voldaan aan toegestane systemen en spelregels. Typisch Nederlandse namen als ‘Jansen’ mochten niet, maar Nederlands aandoende namen als ‘Lepelblad’ weer wel.

Joodse namen en variaties
Namen konden ontstaan als een vertaling. Bijvoorbeeld, een voormalig tot slaaf gemaakte van Lobo krijgt de naam Wolff, die van De Lyon, krijgt de naam Leeuw of Leeuwin. Anagrammen worden bedacht, bijvoorbeeld als het om een niet door de vader erkend kind gaat. Zoals Essed, dat afkomstig is van Dessé, of het amper uit te spreken Atiuqsem, van Mesquita. Er werd ook een manier gevonden door het weglaten van de eerste letter van de voornaam of de naam van de planter, eventueel in combinatie met het laten vervallen of toevoegen van nog een letter. Hierdoor kon Amson (Samson), Braams (Abraham), Labad ( Labadio) of Vonsee / Fonca (De Fonseca) ontstaan.

Zo kwamen er veel namen in omloop die een Joodse achtergrond hadden, zonder dat de drager ervan Joods was of zich als Joods beschouwde. Aan de ander kant kan gesteld worden dat door heel veel Surinamers in meer of mindere mate Joods bloed stroomt. Het laatste verklaart de Surinaamse uitspraak dan ook, dat: “Als je aan een Surinaamse stamboom schudt, er altijd wel een Jood uit valt.”

Heden ten dage zijn veel familienamen in Suriname en de Antillen te horen die rechtstreeks terug zijn te voeren op de hiervoor beschreven historie. Een greep: Abrahams, Alvares (Alvarez), Bueno Bibaz, Bueno de Mesquita, Cohen, á Cohen, Acohen, Cardozo Da Costa Gomes, Dacosta, Gomez, Gomes, Da Silva, Vasilda, De la Fuente, D’Fonseca, Emanuels, Emanuelson, (Samuels, Samuel, Sammy), Fernandes, Fernandez, Mendes Fernandes (gekoppelde naam), Gonsalves (met of zonder ç), Jesserun, Jesserun Lobo, Lobo Juda, Levi, Labad, Lobo, (De) Miranda, Morpurgo, Mosanto Nassy, Nassi, Nunes Del Prado, De la Parra, Oliveira, Robles de Medina, Robles.
Bekende voetballers als Davids en Emanuelson passen ook in dit rijtje. Trouwens, heb je een Surinaams eettentje in de buurt? Niemand kijkt vreemd op bij de bestelling van een broodje Pom, ook met een Joodse oorsprong, en een rode Fernandes.

* Helen Wijngaarde deed onderzoek naar het slavernijverleden en publiceerde diverse malen in OSO, het blad voor Surinaamse taalkunde, en Wi Rutu, het blad van de Stichting voor Surinaamse Genealogie.

Ontvang updates van Benjamin online

Via de email updates over nieuwe artikelen van de Benjamin online ontvangen? Laat je mailadres achter.
* Vereist veld

Ontvang Benjamin alerts zodra er wat nieuws geplaatst is.




Blijf op de hoogte

Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief van JMW in je mailbox
Ja, ik wil mij aanmelden